In stadsblaadje ‘PS van de Week’ lees ik over vroege vogels. James Worthy wandelt om 05:20 langs de grachten omdat het hem het gevoel geeft in zijn eentje door het Rijksmuseum te lopen. Een yogameisje omschrijft de ochtend als een ‘onbedorven wereld’ en een hardloper jakkert om 05:45 naar het Vondelpark omdat er dan nog niemand is die iets van hem moet.

Ook op blogs zie ik steeds meer artikelen over het verschil dat je kunt maken door een kwartier eerder op te staan en reviews van boeken met titels als ‘getting things done’ en ‘the miracle morning’. Als ik zoiets lees, wil alles in mij geloven dat ik dit ook kan. Dus zet ik de wekker, val in slaap en ontwaak in de meeste gevallen met de wens om mijzelf als sushi in de dekens te rollen.

Ik geloof niet echt in ochtend- of avondpersonen. Ik categoriseer mensen liever in ‘zet het bestek omhoog of omlaag in de vaatwasser’ en ‘eet de lekkerste paaseitjes meteen op of bewaart het beste voor het laatst’. Mijn moeder verdeelt mensen wel op de eerste manier en rekent ons beide tot de avondmens. Dit vertelde ze toen we laatst zaten te ontbijten in een situatie die Pascal Jacobsen van Bløf zou omschrijven als een ‘schreeuwende stilte.’

Soms lukt het om uit de lakens te glijden terwijl de zes nog in de klok zit. In zo’n geval heb ik de rest van de dag last van een soort grootheidswaanzin. ‘Het is alsof je vooruitloopt op de stad en de mensheid’ heb ik mezelf horen zeggen. De trots stijgt naar mijn kop en ik loop rond als Ivo Niehe in een theaterarena, overtuigd dat ik de volgende dag minstens zoveel succes boek.

Vanmorgen ben ik door de wekker en een afspraak heen geslapen. Toch neem ik me voor het morgen weer te proberen. Niet omdat ik nou zo geniet van het sloffen door het Flevopark ’s ochtends. Tijdens het lopen ben ik vooral dankbaar dat er geen ziel aanwezig is om te aanschouwen in wat voor een conditie ik door het park beweeg. Het gaat om het gevoel achteraf. Het gevoel dat alles mogelijk is. Als je maar opstaat.