De dag van de operatie begint met een aantal uur wachten op een vierpersoonskamer. Er komen steeds spoedgevallen tussendoor. "Als je jong bent, schuif je door" zegt de verpleegkundige. Terwijl mijn ledematen juist langer op deze planeet moeten rondlopen.

In de wachttijd leer ik mijn buren kennen. Meneer de gebroken heup, meneer blaaskanker en mevrouw "tja, wat heb ik niet?!" Wat ze in ieder geval wél heeft is een stoma, een geur die me nog achtervolgt als ze me wegrijden in operatietenue.

De dokters kiezen ervoor mijn arm lokaal te verdoven. Bij algehele narcose krijg je namelijk een beademingsslang door de keel en dat is weer teveel risico om er nog een paar tanden uit te krikken. Er volgt een spuit in mijn oksel en daarna elektrische schokjes om te testen welke zenuwen nog werken.

Terwijl mijn arm in slaap sukkelt, komt een van de twee chirurgen langs die meedeelt dat ze van strategie veranderen. Geen schroefdraad meer, maar een titanium plaat die alles vastzet. Ik heb vragen en slaap, vooral slaap.

Via het infuus krijg ik meer slaapmiddel. Op de operatiekamer zeggen ze dat ik mijn ogen dicht mag doen. "Ik voel mijn arm nog" zeg ik als ze het gips open zagen.

Als ik wakker word, hangt er een blauwe doek voor mijn gezicht. Ik voel pijn in mijn arm. Ik hoor dokters praten. Ze zijn begonnen, terwijl ik zelf in paniek begin te raken. "En toen heb ik wat ketamine ingespoten" zegt de anesthesist later, als ik voor de tweede keer wakker word. Dit keer op de uitslaapzaal. Dat klinkt als een pyjama party, maar er is weinig feestelijks aan.

Terug in de vierpersoonskamer zijn alle buren weg. Ik krijg een ballon en rodekool met aardappelpuree. Een maaltijd die ik normaal gesproken met lange tanden eet, maar nu in recordtempo wegschrok. Mijn ouders gaan het nooit geloven en ik eigenlijk ook niet.

Rode kool, de smaak van overwinning.