Na vijf maanden te horen dat ik “nog even moet doorbijten,” krijg ik vier porseleinen tanden. Intussen ben ik zeseneenhalfduizend euro verder aan tandartsbehandelingen en in staat om elke ziel met een woordgrap zelf te laten ervaren wat voor een zure appel het is geweest.

Het porselein verkleurt niet, rode wijn kan in veelvoud gedronken worden, maar is minder stabiel. Het afbijten van een appel is nu een activiteit die anderen bezigen. Een activiteit waarbij ik afgunst ervaar. Toch went alles. Ik snijd gedachteloos stokbrood in stukken. Op Koningsdag eet ik de tompouce laag voor laag. Als je de lagen in rap tempo afwisselt, mis je niets.

Soms denk ik aan een experiment tijdens mijn studie. Een aantal klasgenoten laat het brandalarm afgaan en rook het lokaal binnendringen. Ze filmen hoe de klas erop reageert. De uitkomst is verrassend. Sommigen laten alles achter. Anderen zorgen ervoor dat de rest veilig buiten staat. Van tevoren is niet te voorspellen wie er op welke manier reageert.

Maandenlang rondlopen met een afgebroken gebit is iets wat me overkomelijk lijkt. Wat maakt het uit als je ineens slist? En dat mensen niet horen wat je zegt omdat je aanblik afleidt? Ik heb altijd de verwachting gehad dat ik in zulke situaties mijn schouders ophaal; noem me zwerver, crackwhore, whatever.

De realiteit is dat ik de eerste weken elke dag jank. Nog steeds wel, als het doordringt dat deze situatie, volgens de regering, het ‘nieuwe normaal’ is. Als straks de restaurants weer opengaan, heb ik geen idee of er iets tussen mijn tanden zit. Er zit nauwelijks gevoel.

Gelukkig ziet dan bijna niemand dat weer, in de anderhalvemetersamenleving.